Tharwoestijn
Verlies jezelf in de oneindigheid van het zand
© D.S.F. Production

Tharwoestijn

De Tharwoestijn of Grote Indiase Woestijn is een woestijn die deels in de Pakistaanse provincies Sindh en Punjab gelegen is en deels in de Indiase deelstaten Punjab, Haryana, Rajasthan en Gujarat. Oppervlakte: 264.091 km²
Info
De Tharwoestijn De stilte van de Tharwoestijn, het “Grote Hart van Rajasthan”, wordt omschreven als een diepe, bijna tastbare rust die een scherp contrast vormt met de chaos van het dagelijks leven in India. Het is een plek waar de stilte niet leeg is, maar gevuld met de echo’s van eeuwenoude legendes en het zachte ritselen van verschuivend zand.
In de Tharwoestijn zijn de vormen en de kleurveranderingen van de lucht en het zand adembenemend. De eindeloze zandvlakte wordt onderbroken door zandduinen. De wind treedt hier op als een kunstenaar, die elke nacht de contouren van de aarde herschikt in patronen van ribbelzand en heuvels met scherpe randen. Als de eerste zonnestralen met de golvingen in het zand spelen, lijkt de woestijn op een deinende oceaan. Het zand is een palet van geel, oker, saffraan en antiek goud dat gloeit onder de Indiase zon. Om van de sfeer van het goudkleurige landschap, de stilte van de weidse leegte en de totale afzondering te kunnen genieten, moet je om 4 uur opstaan en diep de woestijn inrijden.
Een meerdaagse kamelentocht door de Tharwoestijn is een reis terug in de tijd. Het is een ervaring waarbij het ritme van de kameel je dwingt om te vertragen en van de schoonheid van Rajasthan te genieten. Raika’s, kameeldrijvers, die ‘s nachts uit Jaisalmer vertrokken waren, wachten ons op. We maken kennis en elkeen krijgt een "Camel", een dromedaris dus, met drijver toegewezen. Moet je als berijder even wennen aan het opstaan – een dromedaris staat op in een tweestapbeweging waarbij eerst de achterkant omhoog gaat en dan het voorlichaam – het rijden op een kameel een kunst op zich. Je wiegt mee op de cadans van het dier en je zitvlak krijgt het zwaar te verduren. We zijn blij als “onze karavaan” na een drietal kilometer een dorp bereiken. Het ontbijt – chapati’s, eieren, koffie en thee - wordt klaar gezet. Koken is geen probleem voor deze doorwinterde woestijnmannen. In het dorp is het een en al bedrijvigheid. Terwijl de mannen onder een boom de dag bespreken, verzorgen de vrouwen en de meisjes de kinderen en het vee, koken ze het ontbijt, verzamelen ze brandhout en halen water aan de waterput. De ijzeren handpompen, waarmee de putten zijn uitgerust om, werden bewust niet gepatenteerd zodat een wijd verspreid gebruik mogelijk is. De kleine vensters en de dikke muren van de huizen, opgetrokken uit modder, klei, stro en koeienmest, houden de hitte buiten en de koelte binnen. Telkens het huis een nieuwe kleilaag krijgt, worden de buitenmuren door de vrouwen opnieuw met witte kalktekeningen of spiegeltjes versierd. Dit is niet alleen voor de sier, maar ook om boze geesten buiten te houden.
Door de woestijn trekken, doen Raika’s enkel in de voormiddag en in de late namiddag. Tegen het middaguur stoppen ook wij om beschutting te zoeken tegen de felle hitte onder de bomen in een dorp. Het afstappen voordat je een dorp of waterput bereikt, is een diepgewortelde etiquette van nederigheid en respect, een non-verbaal signaal dat je met vredevolle bedoelingen komt.
Door de leidsels kort in de hand te houden en te voet te gaan, heb je maximale controle over het dier bij de drukke waterput en in de smalle straatjes van het dorp. Als we verder trekken, voelen we ons net als keizer Humayun op weg naar Perzië. Gedurende de tocht werd zijn zoon Akbar the Great, de derde Mughal keizer van Rajasthan, geboren. In een duinpan slaan we ons bivak op. Eerst worden de kamelen afgezadeld. Dan is het tijd voor de verzorging, controleren op drukplekken en wondjes, watergeven en voederen. Vanop de duintop kijken we naar de zon die met een diep oranje gouden gloed en paarsrode tinten achter de eindeloze glooiende zandduinen verdwijnt. Verzameld rond het kampvuur worden herinneringen aan de spannendste avonturen opgehaald. Na een maaltijd van dhal, kool en chapati’s kruipen we in onze slaapzak voor een nacht onder de sterren. In de kristalheldere woestijnlucht zijn sterrenbeelden, planeten en de duizenden flikkerende lichtjes van de Melkweg met het blote oog te zien.
Nog voor de zon opkomt, gaan de drijvers op zoek naar de kamelen en wie wil mag mee. Doordat de twee voorpoten van de kameel dicht bij elkaar gebonden met een touw, kan hij nog steeds kleine stapjes zetten om bij struiken te komen, maar kan hij niet ver weglopen. Het optuigen van een kameel is een secuur werkje. Het moet niet alleen comfortabel zijn voor de reiziger, maar de kameel is ook een pakezel tijdens een meerdaagse tocht. In de Khurjin, grote, kleurrijke geweven zadeltassen, worden waterflessen, kookgerei, meel en proviand voor de lokale maaltijden meegedragen. Bij het ochtendgloren, met stramme en verkleumde ledematen, maken we ons klaar voor een nieuwe dag. We warmen ons op aan het kampvuur en genieten van de vers gebakken chapati’s met boter en confituur.
Onderweg passeren we verlaten dorpen en zie we hoe herders hun geiten hoeden. Hoog op onze kameel gezeten, genieten we van de stilte van de eindeloze zandduinen, een stilte die enkel onderbroken wordt door het ritmische gesmak van onze rijdieren. In de leegte van de woestijn speuren we naar de resten van het mysterieuze spookdorp Kuldhara. Volgens de overleving verlieten de bewoners, Paliwal Brahmins, in 1825, in één nacht het dorp om te ontsnappen aan de wreedheden van Salim Singh, de gevreesde Diwan van Jaisalmer. Was de reden hiervan dat de dorpelingen de dochter van het dorpshoofd wilde redden toen de minister haar opeiste om met haar te trouwen of was het om te ontsnappen aan de woede van Salim Singh omdat er geen compromis kon gevonden worden over de belasting op de karavanen die het dorp aandeden en de dorpelingen het dorp ontvlucht hebben nadat de ze de plek vervloekt hadden en zout in de waterputten gooiden zodat niemand nog ooit in het dorp zou kunnen wonen. Of was de reden een aardbeving of de droogte, tot op heden heeft geen historicus noch wetenschapper het geheim weten te ontrafelen. Naast de ruïnes van woonhuizen, een vervallen tempel met handafdrukken en primitieve tekeningen en irrigatiekanalen zijn er nog 3 crematieplaatsen, met verschillende devali’s met inscripties die een licht werpen op het vroegere goedgeorganiseerd dorpsleven. Als we aan de uitlopers van het Aravalli-gebergte komen, maakt het zand plaats voor een stenige bodem. Hier moeten we door nauwe kloven en over droge rivierbeddingen. Tijdens het klimmen gebruiken de drijvers specifieke ritmische gezangen en fluittonen om de kamelen in een constant tempo te laten ademen en te voorkomen dat ze in paniek raken. We komen aan in Amar Sagar, een klein meer, gelegen naast het Amar Singh-paleis uit de 17e eeuw. Naast het paleis staan kleine paviljoens en een brede trap leidt naar het Amar Sagar-meer waar ’s morgens de vrouwen al 200 jaar lang water komen halen. De oude Shiva- tempel, gebouwd door Amar Singh, is prachtig gerestaureerd. Als de ondergaande zon onze schaduw lang en scherp op de rotsige bodem tekent, rijst Jaisalmer, het einddoel van onze kamelentocht, als een fata morgana aan de horizon uit de woestijn op. Even voelen we ons als menige kameeldrijver die na een dagenlange tocht eindelijk weer veilig thuiskomt. Het zien van de stad is het bewijs van zijn vakmanschap en het uithoudingsvermogen van zijn kamelen. Met stille trots en diepe vroomheid richt hij een dankgebed tot de goden en de woestijngeesten voor de behouden thuiskomst. Na een laatste foto met de hele groep op ons rijdier stappen we af, leiden de kamelen naar de waterput en gaan te voet naar de stad toe.